Verklaring van België tijdens het algemeen debat van de 81ste zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
Mijnheer de Voorzitter,
Mijnheer de Secretaris-generaal,
Excellenties,
Dames en heren,
Maurice Maeterlinck, geboren in Gent en winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 1911, schreef een vreemd, bijna beklemmend toneelstuk: De blinden.
Twaalf mensen bevinden zich in een bos op een eiland.
De gids die hen daarheen bracht, zit tussen hen in.
Hij is dood, maar dat weten zij nog niet.
Ze wachten tot hij terugkomt.
Ze horen de wind, de zee, de stemmen om hen heen.
Ze weten dat ze niet alleen zijn, maar kunnen nauwelijks uitmaken waar de anderen zich bevinden.
Op een bepaald moment zegt een van de personages: “Al jaren en jaren zijn we samen, en toch hebben we elkaar nooit gezien!”
Die zin komt bij mij terug wanneer ik naar onze wereld kijk.
Ook wij zijn samen.
We ontmoeten elkaar voortdurend.
We wisselen verklaringen, boodschappen en standpunten uit.
Soms brengen we uren door rond dezelfde tafel.
En toch betekent samen in één ruimte zitten nog niet dat we elkaar begrijpen.
Nemen we nog de tijd om echt te horen wat de ander ons zegt?
Om te begrijpen waar die bang voor is, wat die nodig heeft en hoe de wereld eruitziet vanaf de plek waar die staat?
Daar begint voor mij de diplomatie.
Niet wanneer we het eens zijn.
Maar wanneer we dat niet langer zijn.
Diplomatie betekent niet dat we meningsverschillen uitwissen of onze principes opgeven om tot elke prijs een consensus te bereiken.
Diplomatie betekent dat we blijven praten, blijven luisteren en zoeken hoe we met onze verschillen kunnen omgaan zonder dat ze uitmonden in een breuk of een confrontatie.
In het toneelstuk zegt een van de personages iets heel eenvoudigs: “Laten we proberen wat dichter bij elkaar te komen.”
Maeterlinck schreef die woorden meer dan een eeuw geleden.
Toch klinken ze bijzonder actueel.
Dichter bij elkaar komen betekent niet dat we hetzelfde moeten denken.
Het betekent weigeren dat afstand omslaat in onverschilligheid, daarna in wantrouwen, tot we uiteindelijk helemaal niet meer met elkaar praten.
Dat risico bestaat vandaag.
Het is zelfs een van de paradoxen van onze tijd.
We waren nooit zo sterk met elkaar verbonden, maar begrijpen elkaar daarom niet noodzakelijk beter.
Onze economieën, samenlevingen en technologieën zijn diep verweven geraakt, terwijl de verleiding om ons op onszelf terug te plooien opnieuw sterk opkomt.
Anders gezegd: we zijn meer dan ooit van elkaar afhankelijk, precies op het moment dat we soms geneigd zijn te denken dat we zonder elkaar kunnen.
Hoe meer we van elkaar afhankelijk zijn, hoe groter onze behoefte aan gemeenschappelijke regels.
Niet om onze verschillen uit te wissen.
Niet om één wereldbeeld op te leggen.
Wel om ervoor te zorgen dat we met onze meningsverschillen kunnen omgaan zonder dat het recht van de sterkste de enige regel wordt die nog telt.
In het stuk De blinden zijn de personages degene kwijt die hun de weg moest wijzen.
Wij bevinden ons niet in dezelfde situatie.
Niemand zal in onze plaats komen bepalen welke richting we moeten uitgaan.
Maar dat betekent niet dat we zonder houvast verder kunnen.
Oorlogen, humanitaire crisissen, de ontregeling van het klimaat, pandemieën en technologische omwentelingen stellen ons uiteindelijk voor een eenvoudige vraag: hebben we nog een gemeenschappelijk kompas?
Voor België is het antwoord ja.
Dat kompas is het Handvest van de Verenigde Naties. Het is het internationaal recht.
Maar een regel heeft alleen waarde als hij blijft gelden wanneer het moeilijk wordt om hem na te leven.
Precies wanneer het recht indruist tegen het onmiddellijke belang van een staat, blijkt of het werkelijk telt.
Wanneer een handtekening haar waarde verliest zodra ze bindend wordt, wanneer een verdrag slechts geldt zolang het de ondertekenaar goed uitkomt, verzwakt niet alleen een juridische tekst.
Dan wordt het vertrouwen in het gegeven woord aangetast.
En daarmee ook de veiligheid van iedereen die dacht daarop te kunnen rekenen.
Daarom gaat de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne om veel meer dan het lot van twee staten.
Wanneer grenzen met geweld kunnen worden verlegd, wordt elke grens minder veilig.
Niemand hier hoeft eraan te worden herinnerd dat internationale relaties worden gevormd door macht en belangen. Het Handvest doet die werkelijkheid niet verdwijnen. Het trekt wel een grens: het bepaalt wat macht zich niet mag veroorloven.
Voor België heeft die grens een heel concrete betekenis. We zijn een open land, met een economie die nauw verbonden is met de rest van de wereld en een veiligheid die onlosmakelijk verbonden is met die van onze partners. We zijn ervan afhankelijk dat staten hun woord houden, dat akkoorden standhouden wanneer de machtsverhoudingen veranderen en dat grenzen niet met wapens worden hertekend.
Het internationaal recht weerspiegelt onze waarden. Maar het beschermt ook onze belangen.
Daarom staat België pal achter Oekraïne. Elke duurzame vrede moet stevig verankerd zijn in het Handvest van de Verenigde Naties en in het respect voor de soevereiniteit, de politieke onafhankelijkheid en de territoriale integriteit van Oekraïne.
Maar we kunnen die beginselen niet alleen op mijn continent – in Europa – verdedigen en ze elders als vrijblijvend beschouwen. Soevereiniteit, territoriale integriteit en het recht van volkeren om hun eigen toekomst te bepalen, krijgen geen andere betekenis zodra we de grenzen van ons continent oversteken.
Diezelfde maatstaf moet ons leiden wanneer het gaat om het internationaal humanitair recht.
De regels daarvan gelden niet alleen wanneer ze ons goed uitkomen.
Ze bestaan net voor de momenten waarop het moeilijk wordt om ze na te leven.
In Palestina, Soedan, Myanmar, de Democratische Republiek Congo, Haïti en zoveel andere plaatsen die door oorlog of gewapend geweld worden getroffen, zijn de omstandigheden verschillend.
Maar geen mensenleven is minder waard dan een ander.
Burgers blijven burgers. Ze moeten worden beschermd.
Humanitaire hulp moet hen kunnen bereiken.
Overal.
Ook dit jaar hebben honderden miljoenen mensen humanitaire hulp nodig, terwijl de beschikbare middelen afnemen.
Als het geld op is, wat zeggen we dan tegen de moeder die uren heeft gelopen om met haar zieke kind een gezondheidscentrum te bereiken? Dat de deuren dicht zijn?
Wat zeggen we tegen een gezin dat op voedsel wacht? Dat er morgen niets meer komt?
We kunnen hulpverleners niet vragen die antwoorden te geven omdat wij ervoor hebben gekozen op hun middelen te besparen.
Dit is niet het moment om humanitaire hulp als een bijkomstige uitgave te beschouwen.
Ze is geen beloning en geen pasmunt.
Een kind dat honger heeft, is niet verantwoordelijk voor het standpunt van zijn regering.
Dat kind heeft recht op eten, op verzorging en op bescherming.
Daarom roep ik ieder van ons met aandrang op: bespaar niet op de financiering van humanitaire hulp.
Het internationaal recht dient niet alleen om geweld te beteugelen.
Het maakt ook handel, uitwisseling en verkeer mogelijk.
Dat brengt mij bij een vrijheid die op het eerste gezicht nogal technisch kan lijken: de vrijheid van scheepvaart.
Voor mijn land is ze dat allerminst.
Al in de negentiende eeuw had de haven van Antwerpen een enorm potentieel.
Maar schepen die de rivier de Schelde opvoeren, moesten tol betalen.
In 1863 schafte een internationale overeenkomst die tol voorgoed af.
De afschaffing moest gelden voor “alle vlaggen”.
Allemaal.
Een internationale vaarweg heeft pas werkelijk waarde als hij open is.
De doorgang kan niet telkens opnieuw afhangen van een nieuwe machtsverhouding.
Dat is precies waar de vrijheid van scheepvaart vandaag voor staat.
Ze is meer dan het abstracte recht van een schip om van het ene punt naar het andere te varen.
Ze zorgt ervoor dat economieën die soms noch dezelfde belangen, noch dezelfde bondgenootschappen delen, toch met elkaar verbonden blijven.
Ze geeft ook een staat zonder rechtstreekse toegang tot de zee de mogelijkheid om aan de wereldhandel deel te nemen.
Ze zorgt ervoor dat graan, geneesmiddelen, gas en industriële onderdelen verschillende zeegebieden kunnen doorkruisen zonder dat hun doorgang bij elke etappe opnieuw moet worden onderhandeld.
Zolang alles werkt, lijkt dat vanzelfsprekend.
Maar één afgesloten route volstaat om ons eraan te herinneren hoe belangrijk ze is.
Denk aan de Straat van Hormuz, de Straat Bab el-Mandeb aan de ingang van de Rode Zee, het Suezkanaal, de Bosporus, de Straat van Malakka of het Panamakanaal.
Meer dan 80 procent van de wereldwijde goederenhandel, gemeten naar volume, verloopt over zee.
Wanneer een schip wordt aangevallen, een zeestraat gevaarlijk wordt of een vervoerder een hele regio moet omvaren, zijn de gevolgen duizenden kilometers verderop voelbaar.
In onze havens, uiteraard.
Maar ook in de prijs van energie, meststoffen en voeding.
In de prijs van een tankbeurt.
In de prijs van een brood. Zelfs een brood hebben.
En heel vaak betalen landen met de kleinste economische speelruimte verhoudingsgewijs de hoogste prijs.
Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee verleent rechten, maar legt ook verplichtingen op: de veiligheid van de scheepvaart, de bescherming van het mariene milieu en de eerbiediging van de rechten van kuststaten.
Een kleinere zeemacht betekent niet minder rechten.
Een grotere zeemacht geeft evenmin het recht om haar wil op te leggen.
Geen enkel land zou rechten moeten prijsgeven die het volgens het recht toekomen, alleen omdat een ander meer schepen kan sturen.
Daarom moeten maritieme geschillen worden beslecht op basis van het recht, niet door intimidatie.
En daarom steunt de vrijheid van scheepvaart op gemeenschappelijke regels: zodat elk land zijn rechten kan uitoefenen met respect voor die van anderen.
Maar onze zeeroutes openhouden betekent ook dat we ze veilig moeten houden, tot in onze havens.
De Internationale Code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, de ISPS-code, toont heel concreet waartoe multilateralisme in staat is wanneer het werkt.
Piraterij, terrorisme en criminaliteit zijn plagen die we samen moeten bestrijden.
Die Code moet worden versterkt.
België beseft ten volle hoe belangrijk dat is.
Vrijheid en veiligheid zijn geen tegengestelden.
Veiligheid is een voorwaarde voor vrijheid.
Ik sta zo uitvoerig stil bij de vrijheid van scheepvaart omdat ze iets groters zichtbaar maakt.
Een land kan soeverein zijn zonder zich af te zonderen.
We kunnen onze belangen verdedigen en tegelijk aanvaarden dat anderen eveneens rechten hebben.
En wanneer de regels voldoende duidelijk en voorspelbaar zijn, kan een ruimte van concurrentie toch ook een ruimte van samenwerking blijven.
De oceaan zijn bovendien veel meer dan de snelwegen van onze handel.
Ze voeden bevolkingen, regelen ons klimaat en nemen een groot deel op van de overtollige warmte die door de opwarming van de aarde ontstaat.
Voor veel kleine eilandstaten raakt de stijgende zeespiegel aan het grondgebied waarop hun burgers wonen, aan hun economie en cultuur, en soms zelfs aan de mogelijkheid om te blijven waar hun families al generaties lang leven.
De vrijheid om de oceaan te gebruiken brengt dus ook een verantwoordelijkheid mee: de oceaan beschermen.
En op dat punt wil ik mij optimistisch tonen.
De BBNJ-overeenkomst is dit jaar in werking getreden, na bijna twintig jaar onderhandelen.
Bijna twintig jaar.
Afgezet tegen een politieke cyclus is dat bijna een eeuwigheid. Bij de opbouw van het internationaal recht is dat soms de tijd die nodig is om een compromis te bereiken dat stevig genoeg is om stand te houden.
De overeenkomst bewijst dat we ook vandaag blijven bouwen aan het internationaal recht, in plaats van het af te breken.
België heeft veel in dat proces geïnvesteerd. Ons land stond mee aan de wieg van de Blue Leaders, een coalitie van landen die zich inzetten om tegen 2030 minstens 30 procent van de oceaan te beschermen en een ambitieus verdrag voor de volle zee tot stand te brengen.
De BBNJ-overeenkomst geeft ons nu een essentieel instrument om die beschermingsdoelstelling dichterbij te brengen.
Maar op twintig jaar onderhandelen mogen geen jaren van wachten volgen.
Vanuit die overtuiging stelt België voor om het toekomstige secretariaat van het verdrag in Brussel te huisvesten.
Wij staan klaar om het vanaf de eerste dag aan het werk te laten gaan. Het zal kunnen steunen op onze wetenschappelijke expertise en op een gemeenschap waarin internationale organisaties, ambassades en het middenveld elkaar ontmoeten.
Zodat wat we samen hebben afgesproken, ook tot daadwerkelijke bescherming op zee leidt.
Onder diezelfde oceaan lopen nog andere essentiële verbindingen: de kabels die onze continenten met elkaar verbinden en een groot deel van onze digitale communicatie en energie vervoeren.
Ook daar is onze onderlinge afhankelijkheid duidelijk.
Een breuk, sabotage of aanval kan duizenden kilometers verderop gevolgen hebben.
Die verbindingen beschermen is onmisbaar. Maar onze verantwoordelijkheid in de digitale wereld houdt niet op bij infrastructuur.
Artificiële intelligentie stelt ons al voor een andere vraag: hoe kunnen we de mogelijkheden van innovatie ten volle benutten zonder de technologie sneller te laten evolueren dan ons vermogen om mensen te beschermen?
Ik denk in het bijzonder aan kinderen. Zij groeien op in een wereld waarin AI buitengewone mogelijkheden kan openen, maar ook nieuwe kwetsbaarheden kan creëren.
We mogen innovatie niet uit angst afremmen, maar evenmin geloven dat ze zichzelf wel zal reguleren.
Op zee en in de digitale wereld geldt hetzelfde: vrijheid heeft regels nodig om vrijheid te blijven.
Wie over onze onderlinge afhankelijkheid spreekt, kan niet om migratie heen.
Mensen hebben zich altijd verplaatst en zullen dat blijven doen. Overheden hebben de plicht die beweging in goede banen te leiden en ervoor te zorgen dat migratie veilig, ordelijk, regulier en in overeenstemming met de wet verloopt.
Ook een ordelijk kader is een kwestie van mensenrechten. Wanneer migratie wordt overgelaten aan mensensmokkelaars en mensenhandelaars, worden mensen uitgebuit, in gevaar gebracht en verliezen sommigen het leven op zee.
Maar ook de manier waarop overheden die orde verzekeren, doet ertoe. Staten hebben zowel het recht als de verantwoordelijkheid om hun grenzen te beheren. Zij moeten dat doen met volledige eerbiediging van het internationaal recht en de fundamentele rechten.
De juridische status van een mens kan veranderen. Zijn menselijke waardigheid nooit.
Elk mens telt.
Daarom moeten landen van herkomst, doorreis en bestemming samenwerken. Veilige, ordelijke en reguliere migratie staat niet tegenover respect voor de mensenrechten. Het ene kan niet zonder het andere.
Ofwel beheren we onze onderlinge afhankelijkheid, ofwel zijn we eraan overgeleverd.
Gezondheidscrisissen hebben ons dezelfde les geleerd.
Epidemieën kennen geen grenzen.
Samenwerking is noodzakelijk.
Wie niet samenwerkt, verzwakt zichzelf.
Maar om ervoor te zorgen dat onze afspraken standhouden, hebben we ook instellingen nodig die ze kunnen doen naleven.
Het recht heeft bewakers nodig.
Dit jaar vieren we de tachtigste verjaardag van het Internationaal Gerechtshof. Het beslecht op vreedzame wijze, op basis van het internationaal recht, de juridische geschillen die staten eraan voorleggen.
Het Internationaal Strafhof heeft een andere opdracht: straffeloosheid bestrijden door personen te vervolgen en te berechten die van de zwaarste internationale misdrijven worden beschuldigd.
Hun opdrachten verschillen. Hun onafhankelijkheid verdient dezelfde bescherming.
Beide hoven berusten op dezelfde gedachte: macht mag niet haar eigen rechter zijn.
Dat geldt ook wanneer hun uitspraken of procedures ons niet bevallen.
Wanneer rechters of personeelsleden van een internationaal rechtscollege sancties of druk ondervinden omdat zij hun mandaat uitoefenen, zal België altijd aan hun zijde staan om hen te beschermen.
Maar de belofte van het recht houdt niet op in de rechtszaal of bij de relaties tussen staten.
Ze gaat over mensen.
Over mensenrechten.
Over het recht om vrij te denken en te spreken.
Over vrijheid van geweten en godsdienst.
En ook over de vrijheid om niet te geloven.
Ze gaat over de mogelijkheid voor elke vrouw om zelf over haar leven te beslissen en als gelijke haar plaats in de samenleving in te nemen.
Over de mogelijkheid om te houden van wie we houden, zonder angst voor gevangenisstraf, geweld of vervolging.
Die vrijheden behoren niet toe aan één continent.
Ze berusten op een elementaire overtuiging: de waardigheid van een mens hangt niet af van diens geslacht, afkomst of seksuele geaardheid, en evenmin van wat een regering over die persoon denkt.
Onze samenlevingen verschillen.
Dat zullen ze blijven doen.
We hoeven niet allemaal hetzelfde te zijn om dezelfde menselijke waardigheid te bezitten.
Die overtuiging geeft ook richting aan onze diplomatie.
Dialoog is niet hetzelfde als goedkeuring.
Dialoog is niet het tegendeel van standvastigheid.
Diplomatie vereist beide.
Maar diplomatie heeft ook instellingen nodig die kunnen functioneren.
De Verenigde Naties verdedigen betekent niet doen alsof alles er goed werkt.
Het UN80-proces is noodzakelijk.
Maar er is een verschil tussen een organisatie hervormen en haar verzwakken.
We kunnen niet steeds meer van haar vragen, haar geleidelijk de middelen ontnemen en ons vervolgens verbazen dat ze niet doeltreffend genoeg is.
De hervorming moet behouden wat de Organisatie haar bestaansreden geeft: vrede en veiligheid, mensenrechten en ontwikkeling.
Ze moet ook zorgen voor een betere vertegenwoordiging van alle regio’s van de wereld.
Ruim tachtig jaar geleden leidde Paul-Henri Spaak de Belgische delegatie op de Conferentie van San Francisco, waar de Verenigde Naties het licht zagen. Enkele maanden later werd hij de eerste voorzitter van deze Algemene Vergadering.
België kwam toen uit oorlog en bezetting.
Juist daarom was de keuze voor multilateralisme voor ons vanzelfsprekend.
We zijn hier niet om een instelling in stand te houden omwille van de instelling zelf.
We zijn hier om in stand te houden wat zij mogelijk moet maken.
Vrede en veiligheid.
Mensenrechten.
En welvaart voor iedereen.
Dames en heren,
Voor we president, minister, ambassadeur of diplomaat werden, waren we allemaal kinderen.
En ondanks alles wat hen van elkaar onderscheidt, verlangen de mensen die wij vertegenwoordigen vaak naar verrassend eenvoudige dingen.
’s Avonds thuiskomen.
Hun kinderen zien opgroeien en hen zonder angst naar school kunnen sturen.
Werken.
Houden van wie ze houden.
Plannen maken voor volgend jaar.
Niet hoeven leven met de gedachte dat oorlog, honger, ziekte of geweld alles van de ene dag op de andere kan doen verdwijnen.
Dat is de meest concrete definitie van vrede: je leven kunnen leiden zonder voortdurend bang te zijn dat je het zult verliezen.
We kunnen vrede opbouwen en we kunnen haar beschadigen. We kunnen haar doorgeven, of de volgende generatie achterlaten met de taak om helemaal opnieuw te beginnen.
Aan het begin van deze toespraak vertelde ik u over het stuk De blinden, het toneelstuk van Maurice Maeterlinck.
De personages wachtten tot iemand hun de weg zou wijzen.
Wij kunnen niet blijven wachten.
Niemand zal in onze plaats komen bepalen in welke wereld we willen leven.
Maar we zijn niet zonder houvast.
We hebben het internationaal recht.
We hebben de dialoog.
En bovenal hebben we de verantwoordelijkheid om ze allebei te gebruiken.
Een kompas kan een storm niet voorkomen.
Het helpt ons om koers te houden wanneer die losbarst.
Ik dank u.